Toen we begonnen met co-ouderschap, leek een week-weekregeling eigenlijk best logisch.
Een week bij mama, een week bij papa.
Duidelijk voor iedereen. De kinderen weten waar ze slapen. Wij weten wanneer we de kinderen hebben. School en andere afspraken kunnen netjes verdeeld worden.
In het begin geeft zo'n regeling ook houvast.
Maar kinderen blijven natuurlijk niet eeuwig dezelfde leeftijd houden.
Ze worden groter. Ze krijgen meer vrienden. Meer huiswerk. Sport. Hobby's. Feestjes. Schoolactiviteiten. En op een bepaald moment komt daar ook de puberteit bij.
En dan merk je ineens dat een regeling die vroeger prima werkte niet meer automatisch aansluit bij het leven van je kind.
Dat is een vreemde gewaarwording.
Want wanneer moet je als ouder zeggen: misschien moeten we onze regeling opnieuw bekijken?
En nog belangrijker:
Hoe weet je of je kind echt iets anders nodig heeft, of gewoon aan het puberen is?
Week één bij papa.
Week twee bij mama.
Daarna opnieuw.
Maar een puber leeft steeds minder volgens het schema van zijn ouders.
Vrienden spreken af wanneer het hen uitkomt. Een voetbaltraining valt misschien precies op de wisseldag. Er is een feestje op vrijdagavond. Een toets op maandag. Een groepswerk waar de kinderen bij elkaar moeten komen.
En natuurlijk wil een puber soms gewoon thuisblijven bij de vrienden.
Niet omdat hij niet graag bij zijn andere ouder is.
Maar omdat zijn wereld groter wordt.
Dat is volgens mij één van de lastigste dingen om als ouder te leren.
Je bent nog altijd bezig met wat goed is voor je kind, maar je kind krijgt steeds meer een eigen leven waar jij niet alles meer van bepaalt.
Stel dat je zoon zegt:
"Ik wil eigenlijk liever deze week bij mama blijven."
Als vader kan dat binnenkomen.
Je kunt onmiddellijk denken:
Waarom wil hij niet bij mij zijn?
Heb ik iets verkeerd gedaan?
Vindt hij het daar leuker?
Ben ik minder belangrijk geworden?
Maar misschien is dat helemaal niet wat hij bedoelt.
Misschien zijn al zijn vrienden deze week in de buurt.
Misschien heeft hij drie toetsen.
Misschien is er een feestje.
Misschien vindt hij het gewoon vervelend om zijn spullen iedere week heen en weer te brengen.
Of misschien wil hij simpelweg wat meer invloed op zijn eigen leven.
Dat laatste hoort volgens mij ook bij ouder worden.
Je blijft je kind zien zoals hij vroeger was.
Je weet nog hoe hij als klein jongetje bij je op de bank kroop.
Je weet nog hoe belangrijk het was dat hij op tijd naar bed ging.
Je weet nog dat jij bepaalde wanneer hij zijn jas aantrok, wanneer hij moest eten en wanneer het tijd was om naar school te gaan.
En dan ineens staat daar iemand voor je die zelf een mening heeft over bijna alles.
Over kleding.
Over eten.
Over school.
Over schermtijd.
Over slapen.
En dus ook over waar hij wil zijn.
Dat betekent niet dat je als ouder niets meer te zeggen hebt.
Maar het betekent wel dat luisteren steeds belangrijker wordt.
Een puber heeft behoefte aan grenzen en aan inspraak.
Die twee dingen kunnen naast elkaar bestaan.
Dat is misschien wel het eerste wat ik zou willen zeggen.
Als je kind een keer vraagt om een wissel te veranderen omdat er een feestje is, betekent dat niet meteen dat de hele week-weekregeling niet meer werkt.
Je hoeft ook niet voor iedere voetbaltraining een nieuw ouderschapsplan te maken.
Soms is flexibiliteit voldoende.
Een extra nacht bij papa.
Een avond langer bij mama.
Een wisseldag die een keer verschuift.
Daar zit volgens mij een belangrijk verschil tussen de regeling aanpassen en flexibel omgaan met de regeling.
Je kunt een duidelijke basis hebben en daarbinnen ruimte laten voor het leven van je kind.
Misschien is dat bij jonge kinderen nog wat moeilijker.
Maar hoe ouder kinderen worden, hoe belangrijker die flexibiliteit wordt.
Want wat begint met één uitzondering kan langzaam de nieuwe werkelijkheid worden.
Eerst blijft je zoon één keer extra bij zijn moeder vanwege een feestje.
Daarna nog een keer vanwege school.
Dan wil hij liever niet wisselen omdat zijn vrienden in de buurt zijn.
En voor je het weet zie je elkaar nog maar een paar dagen per twee weken.
Dan moet je jezelf misschien afvragen:
Zijn we nog bezig met een week-weekregeling of hebben we ondertussen een andere regeling zonder die echt uitgesproken te hebben?
Dat gesprek hoeft geen probleem te zijn.
Maar het is wel belangrijk dat je het gesprek voert.
Niet pas wanneer één van de ouders gefrustreerd raakt.
Als ouders praten over een verandering in de regeling gaat het al snel over het kind.
"Onze zoon wil dit."
"Onze dochter vindt dat."
"Volgens mij heeft hij meer rust nodig."
Maar probeer ook rechtstreeks aan je kind te vragen wat er eigenlijk achter zijn wens zit.
Niet tijdens een discussie.
Niet als je boos bent.
En zeker niet met de andere ouder erbij als je vermoedt dat je kind daardoor minder vrijuit praat.
Gewoon rustig.
"Hoe vind jij de regeling eigenlijk?"
"Wat vind je fijn?"
"Wat vind je lastig?"
"Wat zou je anders willen?"
En vooral:
"Waarom?"
Niet om hem ter verantwoording te roepen.
Maar om te begrijpen wat er achter zijn antwoord zit.
Misschien komt er een heel ander verhaal naar boven dan je verwachtte.
Een kind kan van beide ouders houden.
Maar als je vraagt:
"Wil je liever bij papa of bij mama wonen?"
dan maak je van een praktische vraag ineens een keuze tussen twee ouders.
Dat is een enorme verantwoordelijkheid voor een kind.
Zeker na een scheiding.
Een puber mag aangeven dat hij liever vaker bij de ene ouder slaapt.
Dat betekent nog niet dat hij moet beslissen welke ouder de voorkeur krijgt.
Dat onderscheid vind ik belangrijk.
Je kind mag een voorkeur hebben.
De volwassenen moeten vervolgens kijken wat daarmee gebeurt.
Als vader wil je belangrijk zijn.
Dat is normaal.
Dus wanneer je kind zegt:
"Ik wil liever bij mama blijven."
dan kan dat pijn doen.
Zelfs wanneer je rationeel weet dat het niets over jouw vaderschap zegt.
Toch voelt het soms als afwijzing.
En dan moet je oppassen dat je je kind daar niet mee belast.
Zeg niet:
"Blijkbaar wil je dus niet meer bij papa zijn."
Of:
"Je bent tegenwoordig liever bij mama."
Ook al denk je dat misschien even.
Want dan geef je je kind het gevoel dat hij voor jouw gevoelens moet zorgen.
En dat is niet zijn taak.
Mijn taak als vader is niet om ervoor te zorgen dat mijn kind altijd voor mij kiest.
Mijn taak is ervoor te zorgen dat mijn kind weet dat hij altijd welkom is.
Dat verschil is groot.
En eerlijk gezegd denk ik dat we daar als ouders soms te weinig over praten.
Kinderen kunnen tijdelijk meer naar één ouder trekken.
Dat kan met leeftijd te maken hebben.
Met interesses.
Met regels thuis.
Met de buurt.
Met school.
Met een nieuwe partner.
Met een bepaalde fase.
En soms gewoon met iets waar wij als ouders helemaal geen zicht op hebben.
Dat hoeft niet automatisch een probleem te zijn.
Maar het is wel belangrijk om alert te blijven op een structurele situatie waarin een kind het gevoel krijgt dat hij moet kiezen.
Een ouder moet dus ook kunnen zeggen:
"Prima dat je vandaag liever daar wilt zijn. Maar je hoeft niet te kiezen tussen ons."
Dat is misschien moeilijker dan zeggen:
"De regeling is de regeling."
Maar uiteindelijk gaat het om meer dan het schema.
Maar vraag het aan een puber en het kan een groot probleem zijn.
Een oplader ligt bij papa.
De sporttas bij mama.
Een favoriete hoodie in het verkeerde huis.
Schoolboeken op de verkeerde plek.
Koptelefoon vergeten.
Toch weer terugrijden.
Voor ons als ouders is dat misschien een kleinigheid.
Voor een puber kan het iedere week opnieuw irritatie opleveren.
Hoe ouder kinderen worden, hoe meer spullen ze hebben.
Daarom kan het helpen om op beide plekken een aantal basisdingen te hebben.
En misschien nog belangrijker:
leer je kind dat hij zelf verantwoordelijk wordt voor zijn spullen.
Dat is óók onderdeel van groter worden.
Flexibiliteit is iets anders dan complete chaos.
Als iedere wissel afhankelijk wordt van de planning van je kind, kunnen ouders uiteindelijk nauwelijks nog afspraken maken.
Ook kinderen hebben behoefte aan voorspelbaarheid.
Dus misschien werkt een vaste basis met uitzonderingen beter dan een volledig vrij schema.
Bijvoorbeeld:
de week-weekregeling blijft bestaan, maar voor school, sport, feestjes en sociale activiteiten kan er onderling worden geschoven.
Dat vraagt wel iets van de ouders.
Namelijk dat je elkaar vertrouwt.
En dat is na een scheiding niet altijd vanzelfsprekend.
Wanneer kinderen ouder worden krijg je eigenlijk een derde stem aan tafel.
Niet letterlijk misschien.
Maar wel in de praktijk.
Daarom is het belangrijk dat je als ouders opnieuw leert overleggen.
Niet:
"Jij laat hem altijd zijn zin doen."
Maar:
"Wat denk jij dat hij op dit moment nodig heeft?"
Dat klinkt als een klein verschil.
Maar het verandert het gesprek volledig.
Je gaat dan niet meer tegenover elkaar staan.
Je probeert samen naar hetzelfde kind te kijken.
Misschien praat je met je kind.
Misschien zijn er wat kleine aanpassingen.
Misschien blijkt uiteindelijk dat hij vooral meer vrijheid wil binnen dezelfde regeling.
En misschien blijft de week-weekregeling gewoon prima werken.
Dat lijkt me eigenlijk een belangrijke conclusie.
Niet ieder probleem hoeft opgelost te worden door de regeling te veranderen.
Soms moet vooral de manier waarop je ermee omgaat veranderen.
Dat is misschien het moeilijkste én mooiste aan ouderschap.
De regeling die je maakte toen je kind zes was, hoeft niet dezelfde te blijven wanneer hij veertien is.
Dat betekent niet dat de regeling mislukt is.
Integendeel.
Misschien heeft de regeling juist jarenlang goed gewerkt en is je kind nu gewoon in een nieuwe levensfase terechtgekomen.
Dan mag de regeling meegroeien.
Niet omdat één ouder heeft gewonnen.
Niet omdat het kind heeft gekozen.
Maar omdat de omstandigheden veranderd zijn.
Maandag daar.
Vrijdag hier.
Vakantie zus.
Feestdag zo.
En natuurlijk zijn die afspraken belangrijk.
Maar uiteindelijk zijn het afspraken rondom kinderen.
Niet andersom.
Mijn kinderen moeten niet het gevoel krijgen dat ze gevangen zitten in een kalender die door volwassenen is gemaakt.
Ze mogen ouder worden.
Ze mogen vrienden hebben.
Ze mogen ergens graag zijn.
Ze mogen soms liever thuisblijven.
En ze mogen ook gewoon zeggen dat ze papa missen.
Zonder dat daar meteen een praktische discussie uit ontstaat.
Misschien is dat wel de grootste verandering die de puberteit met zich meebrengt.
Je moet steeds een beetje meer loslaten.
Niet je kind.
Wel de behoefte om alles te bepalen.
Een week-weekregeling is geen bewijs dat je goed aan co-ouderschap doet.
Een 50/50-verdeling is geen wedstrijd.
En een kind dat een paar nachten vaker bij de ene ouder slaapt, houdt niet opeens minder van de andere.
Het doel is veel eenvoudiger.
Dat kinderen zich veilig voelen.
Dat ze beide ouders kunnen blijven zien.
Dat ze ruimte krijgen om op te groeien.
En dat ze niet het gevoel krijgen dat hun keuzes één van hun ouders pijn doen.
Misschien verandert onze regeling nog wel vaker.
Dat hoort bij ouder worden.
En als vader moet ik daar misschien vooral aan wennen.
Want mijn kinderen worden steeds zelfstandiger.
Ze hebben mij steeds iets minder nodig om hun wereld te organiseren.
Maar hopelijk steeds genoeg vertrouwen in mij om te weten dat ik er ben.
Ook als het niet mijn week is.
Ook als ze andere plannen hebben.
En ook als ze op een dag zelf zeggen:
"Papa, ik wil het deze keer anders."
Dan hoop ik dat ik eerst luister.
En pas daarna reageer.
Want misschien is dat uiteindelijk ook een onderdeel van loslaten:
niet minder vader worden, maar leren vader te zijn op een manier die past bij het kind dat voor je staat.
Een week bij mama, een week bij papa.
Duidelijk voor iedereen. De kinderen weten waar ze slapen. Wij weten wanneer we de kinderen hebben. School en andere afspraken kunnen netjes verdeeld worden.
In het begin geeft zo'n regeling ook houvast.
Maar kinderen blijven natuurlijk niet eeuwig dezelfde leeftijd houden.
Ze worden groter. Ze krijgen meer vrienden. Meer huiswerk. Sport. Hobby's. Feestjes. Schoolactiviteiten. En op een bepaald moment komt daar ook de puberteit bij.
En dan merk je ineens dat een regeling die vroeger prima werkte niet meer automatisch aansluit bij het leven van je kind.
Dat is een vreemde gewaarwording.
Want wanneer moet je als ouder zeggen: misschien moeten we onze regeling opnieuw bekijken?
En nog belangrijker:
Hoe weet je of je kind echt iets anders nodig heeft, of gewoon aan het puberen is?
Een week-weekregeling klinkt eenvoudiger dan ze soms is
Op papier is het simpel.Week één bij papa.
Week twee bij mama.
Daarna opnieuw.
Maar een puber leeft steeds minder volgens het schema van zijn ouders.
Vrienden spreken af wanneer het hen uitkomt. Een voetbaltraining valt misschien precies op de wisseldag. Er is een feestje op vrijdagavond. Een toets op maandag. Een groepswerk waar de kinderen bij elkaar moeten komen.
En natuurlijk wil een puber soms gewoon thuisblijven bij de vrienden.
Niet omdat hij niet graag bij zijn andere ouder is.
Maar omdat zijn wereld groter wordt.
Dat is volgens mij één van de lastigste dingen om als ouder te leren.
Je bent nog altijd bezig met wat goed is voor je kind, maar je kind krijgt steeds meer een eigen leven waar jij niet alles meer van bepaalt.
Wanneer je kind liever bij één ouder wil blijven
Dit is waarschijnlijk één van de gevoeligste situaties.Stel dat je zoon zegt:
"Ik wil eigenlijk liever deze week bij mama blijven."
Als vader kan dat binnenkomen.
Je kunt onmiddellijk denken:
Waarom wil hij niet bij mij zijn?
Heb ik iets verkeerd gedaan?
Vindt hij het daar leuker?
Ben ik minder belangrijk geworden?
Maar misschien is dat helemaal niet wat hij bedoelt.
Misschien zijn al zijn vrienden deze week in de buurt.
Misschien heeft hij drie toetsen.
Misschien is er een feestje.
Misschien vindt hij het gewoon vervelend om zijn spullen iedere week heen en weer te brengen.
Of misschien wil hij simpelweg wat meer invloed op zijn eigen leven.
Dat laatste hoort volgens mij ook bij ouder worden.
Een puber is geen klein kind meer
Dat klinkt logisch, maar in de praktijk is het best moeilijk.Je blijft je kind zien zoals hij vroeger was.
Je weet nog hoe hij als klein jongetje bij je op de bank kroop.
Je weet nog hoe belangrijk het was dat hij op tijd naar bed ging.
Je weet nog dat jij bepaalde wanneer hij zijn jas aantrok, wanneer hij moest eten en wanneer het tijd was om naar school te gaan.
En dan ineens staat daar iemand voor je die zelf een mening heeft over bijna alles.
Over kleding.
Over eten.
Over school.
Over schermtijd.
Over slapen.
En dus ook over waar hij wil zijn.
Dat betekent niet dat je als ouder niets meer te zeggen hebt.
Maar het betekent wel dat luisteren steeds belangrijker wordt.
Een puber heeft behoefte aan grenzen en aan inspraak.
Die twee dingen kunnen naast elkaar bestaan.
Moet een co-ouderschapsregeling dan volledig veranderen?
Niet noodzakelijk.Dat is misschien wel het eerste wat ik zou willen zeggen.
Als je kind een keer vraagt om een wissel te veranderen omdat er een feestje is, betekent dat niet meteen dat de hele week-weekregeling niet meer werkt.
Je hoeft ook niet voor iedere voetbaltraining een nieuw ouderschapsplan te maken.
Soms is flexibiliteit voldoende.
Een extra nacht bij papa.
Een avond langer bij mama.
Een wisseldag die een keer verschuift.
Daar zit volgens mij een belangrijk verschil tussen de regeling aanpassen en flexibel omgaan met de regeling.
Je kunt een duidelijke basis hebben en daarbinnen ruimte laten voor het leven van je kind.
Misschien is dat bij jonge kinderen nog wat moeilijker.
Maar hoe ouder kinderen worden, hoe belangrijker die flexibiliteit wordt.
Wanneer wordt flexibiliteit structureel?
Dat vind ik zelf een interessantere vraag.Want wat begint met één uitzondering kan langzaam de nieuwe werkelijkheid worden.
Eerst blijft je zoon één keer extra bij zijn moeder vanwege een feestje.
Daarna nog een keer vanwege school.
Dan wil hij liever niet wisselen omdat zijn vrienden in de buurt zijn.
En voor je het weet zie je elkaar nog maar een paar dagen per twee weken.
Dan moet je jezelf misschien afvragen:
Zijn we nog bezig met een week-weekregeling of hebben we ondertussen een andere regeling zonder die echt uitgesproken te hebben?
Dat gesprek hoeft geen probleem te zijn.
Maar het is wel belangrijk dat je het gesprek voert.
Niet pas wanneer één van de ouders gefrustreerd raakt.
Praat eerst met je kind, niet meteen over je kind
Ik denk dat dit een belangrijke valkuil is.Als ouders praten over een verandering in de regeling gaat het al snel over het kind.
"Onze zoon wil dit."
"Onze dochter vindt dat."
"Volgens mij heeft hij meer rust nodig."
Maar probeer ook rechtstreeks aan je kind te vragen wat er eigenlijk achter zijn wens zit.
Niet tijdens een discussie.
Niet als je boos bent.
En zeker niet met de andere ouder erbij als je vermoedt dat je kind daardoor minder vrijuit praat.
Gewoon rustig.
"Hoe vind jij de regeling eigenlijk?"
"Wat vind je fijn?"
"Wat vind je lastig?"
"Wat zou je anders willen?"
En vooral:
"Waarom?"
Niet om hem ter verantwoording te roepen.
Maar om te begrijpen wat er achter zijn antwoord zit.
Misschien komt er een heel ander verhaal naar boven dan je verwachtte.
Pas op met de vraag: bij wie wil je wonen?
Die vraag zou ik persoonlijk vermijden.Een kind kan van beide ouders houden.
Maar als je vraagt:
"Wil je liever bij papa of bij mama wonen?"
dan maak je van een praktische vraag ineens een keuze tussen twee ouders.
Dat is een enorme verantwoordelijkheid voor een kind.
Zeker na een scheiding.
Een puber mag aangeven dat hij liever vaker bij de ene ouder slaapt.
Dat betekent nog niet dat hij moet beslissen welke ouder de voorkeur krijgt.
Dat onderscheid vind ik belangrijk.
Je kind mag een voorkeur hebben.
De volwassenen moeten vervolgens kijken wat daarmee gebeurt.
De verleiding om het persoonlijk te nemen
Dit is misschien mijn eigen grootste uitdaging.Als vader wil je belangrijk zijn.
Dat is normaal.
Dus wanneer je kind zegt:
"Ik wil liever bij mama blijven."
dan kan dat pijn doen.
Zelfs wanneer je rationeel weet dat het niets over jouw vaderschap zegt.
Toch voelt het soms als afwijzing.
En dan moet je oppassen dat je je kind daar niet mee belast.
Zeg niet:
"Blijkbaar wil je dus niet meer bij papa zijn."
Of:
"Je bent tegenwoordig liever bij mama."
Ook al denk je dat misschien even.
Want dan geef je je kind het gevoel dat hij voor jouw gevoelens moet zorgen.
En dat is niet zijn taak.
Mijn taak als vader is niet om ervoor te zorgen dat mijn kind altijd voor mij kiest.
Mijn taak is ervoor te zorgen dat mijn kind weet dat hij altijd welkom is.
Dat verschil is groot.
Wat als de andere ouder de voorkeur krijgt?
Dat kan gebeuren.En eerlijk gezegd denk ik dat we daar als ouders soms te weinig over praten.
Kinderen kunnen tijdelijk meer naar één ouder trekken.
Dat kan met leeftijd te maken hebben.
Met interesses.
Met regels thuis.
Met de buurt.
Met school.
Met een nieuwe partner.
Met een bepaalde fase.
En soms gewoon met iets waar wij als ouders helemaal geen zicht op hebben.
Dat hoeft niet automatisch een probleem te zijn.
Maar het is wel belangrijk om alert te blijven op een structurele situatie waarin een kind het gevoel krijgt dat hij moet kiezen.
Een ouder moet dus ook kunnen zeggen:
"Prima dat je vandaag liever daar wilt zijn. Maar je hoeft niet te kiezen tussen ons."
Dat is misschien moeilijker dan zeggen:
"De regeling is de regeling."
Maar uiteindelijk gaat het om meer dan het schema.
En wat met de spullen?
Dit klinkt misschien onbelangrijk.Maar vraag het aan een puber en het kan een groot probleem zijn.
Een oplader ligt bij papa.
De sporttas bij mama.
Een favoriete hoodie in het verkeerde huis.
Schoolboeken op de verkeerde plek.
Koptelefoon vergeten.
Toch weer terugrijden.
Voor ons als ouders is dat misschien een kleinigheid.
Voor een puber kan het iedere week opnieuw irritatie opleveren.
Hoe ouder kinderen worden, hoe meer spullen ze hebben.
Daarom kan het helpen om op beide plekken een aantal basisdingen te hebben.
En misschien nog belangrijker:
leer je kind dat hij zelf verantwoordelijk wordt voor zijn spullen.
Dat is óók onderdeel van groter worden.
Een flexibel schema betekent niet dat alles vrijblijvend wordt
Daar moeten we volgens mij wel een grens trekken.Flexibiliteit is iets anders dan complete chaos.
Als iedere wissel afhankelijk wordt van de planning van je kind, kunnen ouders uiteindelijk nauwelijks nog afspraken maken.
Ook kinderen hebben behoefte aan voorspelbaarheid.
Dus misschien werkt een vaste basis met uitzonderingen beter dan een volledig vrij schema.
Bijvoorbeeld:
de week-weekregeling blijft bestaan, maar voor school, sport, feestjes en sociale activiteiten kan er onderling worden geschoven.
Dat vraagt wel iets van de ouders.
Namelijk dat je elkaar vertrouwt.
En dat is na een scheiding niet altijd vanzelfsprekend.
Het gesprek met je ex wordt belangrijker
Wanneer kinderen klein zijn, bepalen ouders bijna alles.Wanneer kinderen ouder worden krijg je eigenlijk een derde stem aan tafel.
Niet letterlijk misschien.
Maar wel in de praktijk.
Daarom is het belangrijk dat je als ouders opnieuw leert overleggen.
Niet:
"Jij laat hem altijd zijn zin doen."
Maar:
"Wat denk jij dat hij op dit moment nodig heeft?"
Dat klinkt als een klein verschil.
Maar het verandert het gesprek volledig.
Je gaat dan niet meer tegenover elkaar staan.
Je probeert samen naar hetzelfde kind te kijken.
Misschien hoeft er helemaal niets veranderd te worden
Dat is ook een mogelijkheid.Misschien praat je met je kind.
Misschien zijn er wat kleine aanpassingen.
Misschien blijkt uiteindelijk dat hij vooral meer vrijheid wil binnen dezelfde regeling.
En misschien blijft de week-weekregeling gewoon prima werken.
Dat lijkt me eigenlijk een belangrijke conclusie.
Niet ieder probleem hoeft opgelost te worden door de regeling te veranderen.
Soms moet vooral de manier waarop je ermee omgaat veranderen.
En toch komt er een moment waarop je moet durven aanpassen
Kinderen worden groot.Dat is misschien het moeilijkste én mooiste aan ouderschap.
De regeling die je maakte toen je kind zes was, hoeft niet dezelfde te blijven wanneer hij veertien is.
Dat betekent niet dat de regeling mislukt is.
Integendeel.
Misschien heeft de regeling juist jarenlang goed gewerkt en is je kind nu gewoon in een nieuwe levensfase terechtgekomen.
Dan mag de regeling meegroeien.
Niet omdat één ouder heeft gewonnen.
Niet omdat het kind heeft gekozen.
Maar omdat de omstandigheden veranderd zijn.
Ik wil vooral dat mijn kinderen vrij blijven
Na een scheiding kun je als ouder gemakkelijk verstrikt raken in schema's.Maandag daar.
Vrijdag hier.
Vakantie zus.
Feestdag zo.
En natuurlijk zijn die afspraken belangrijk.
Maar uiteindelijk zijn het afspraken rondom kinderen.
Niet andersom.
Mijn kinderen moeten niet het gevoel krijgen dat ze gevangen zitten in een kalender die door volwassenen is gemaakt.
Ze mogen ouder worden.
Ze mogen vrienden hebben.
Ze mogen ergens graag zijn.
Ze mogen soms liever thuisblijven.
En ze mogen ook gewoon zeggen dat ze papa missen.
Zonder dat daar meteen een praktische discussie uit ontstaat.
Misschien is dat wel de grootste verandering die de puberteit met zich meebrengt.
Je moet steeds een beetje meer loslaten.
Niet je kind.
Wel de behoefte om alles te bepalen.
Een regeling is een hulpmiddel, geen doel op zich
Dat is uiteindelijk hoe ik ernaar kijk.Een week-weekregeling is geen bewijs dat je goed aan co-ouderschap doet.
Een 50/50-verdeling is geen wedstrijd.
En een kind dat een paar nachten vaker bij de ene ouder slaapt, houdt niet opeens minder van de andere.
Het doel is veel eenvoudiger.
Dat kinderen zich veilig voelen.
Dat ze beide ouders kunnen blijven zien.
Dat ze ruimte krijgen om op te groeien.
En dat ze niet het gevoel krijgen dat hun keuzes één van hun ouders pijn doen.
Misschien verandert onze regeling nog wel vaker.
Dat hoort bij ouder worden.
En als vader moet ik daar misschien vooral aan wennen.
Want mijn kinderen worden steeds zelfstandiger.
Ze hebben mij steeds iets minder nodig om hun wereld te organiseren.
Maar hopelijk steeds genoeg vertrouwen in mij om te weten dat ik er ben.
Ook als het niet mijn week is.
Ook als ze andere plannen hebben.
En ook als ze op een dag zelf zeggen:
"Papa, ik wil het deze keer anders."
Dan hoop ik dat ik eerst luister.
En pas daarna reageer.
Want misschien is dat uiteindelijk ook een onderdeel van loslaten:
niet minder vader worden, maar leren vader te zijn op een manier die past bij het kind dat voor je staat.